BATHMEN, EEN NIEUWE BEIAARD IN EEN OUD JASJE  Terug

Vaak hoor je de opmerking: "In Nederland is geen plaats meer voor een nieuwe beiaard". Alle grote torens in belangrijke steden zijn al voorzien en kleine plaatsjes met grote torens kunnen zich geen zware beiaard veroorloven. Deze constatering heeft er toe geleid dat nieuwe beiaardstichtingen de afgelopen dertig jaar praktisch achterwege gebleven zijn. Tijdens de beiaardhausse van de jaren 50, 60 en 70 van de vorige eeuw moest elke toren voorzien worden van een zogenaamde concertbeiaard. Hieronder werd een instrument van vier octaven of meer verstaan, bij voorkeur gebaseerd op een basisklok van minstens 1000 kg, en altijd in de gelijkzwevende stemming. Kleine, lichte beiaarden dienden verzwaard en uitgebreid te worden; de waardering voor de kleine beiaard was tot het nulpunt gedaald.


Arie Abbenes ________________________________________________________
Nu kunnen we ons afvragen of deze filosofie de beiaardkunst wel echt gediend heeft. Deze vraag moet in 2002 opgekomen zijn bij beiaardstudent Jan Achterkamp. De toren van de dorpskerk in Bathmen leek hem een uitgelezen plaats voor een kleine beiaard met handspel. Samen ontwikkelden wij een plan voor een lichte twee-octaafs beiaard op basis fis2. Het initiatief vond weldra weerklank bij het gemeentebestuur en op verzoek van burgemeester J. Drost werd in voorjaar 2003 een startnotitie opgesteld.

Er is weinig voorstellingsvermogen voor nodig om in te zien dat de Bathmense toren geen ideale beiaardtoren is, in de traditionele zin. De bakstenen toren dateert uit de 15e eeuw en bevat drie verdiepingen, bekroond door een oost-west gericht zadeldak. Op 14 meter hoogte bevindt zich een zeer gesloten klokkenkamer met een houten luidstoel. In de stoel hangen twee klokken van Eijsbouts uit 1955 (fis1-765 kg en gis1-540 kg). Deze klokken vervangen gevorderde klokken van de gieter Korthaus uit 1829, die op hun beurt in de plaats kwamen van n grote klok van Van Trier uit 1629. Met zekerheid kan daarom gesteld worden dat de luidstoel, met twee gangen, uit 1829 dateert. De klokken luiden aan krukassen, luidrichting oost-west. De vier galmgaten van 115 x 110 cm worden in tween gedeeld door een bakstenen penant van 13 cm. In elk venster is n galmbord aangebracht. De totale hoogte van de toren is ruim 20 meter. Doordat het dak van het 19e eeuwse kerkschip afgewolfd is aan de torenzijde, staat de bovenzijde van de torenromp geheel vrij. Het ongebruikte mechanische Eijsbouts-uurwerk uit het begin van de 20e eeuw staat in een kabinet op de tweede verdieping.

In de startnotitie werden twee opties genoemd: A. Een lichte beiaard in een te bouwen dakkapel aan de zuidzijde van het zadeldak. Er werd betoogd dat een open dakkapel voor een klokkenspel een gebruikelijke oplossing was voor een toren met te kleine galmgaten. Oudewater, Doesburg en Utrecht (Jacobikerk) werden als voorbeeld aangehaald. Helaas bleek dit plan geen zegen te krijgen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Daarom bleef het tweede alternatief als enige over: B. Een zeer lichte beiaard in en achter het zuidelijke galmgat. In het verleden was het niet ongebruikelijk om een lichte beiaard in een galmgat van een gesloten klokkenkamer te hangen wanneer de klokkenkamer als te gesloten werd ervaren. De bekendste voorbeelden zijn en waren te vinden in Schiedam en Brielle. Enkele jaren geleden is er zelfs een fraai beiaardje in het oostelijke galmgat van de dorpskerk van Epe aangebracht. Gelukkig ging Monumentenzorg akkoord met deze oplossing.

Plan B werd nader uitgewerkt, maar naarmate de voorbereidingen vorderden, groeiden de problemen, want hoe plaats je een beiaard in een toren die er eigenlijk niet op berekend is. Voor het goede begrip noem ik enkele belemmeringen:

1. De grootste luidklok - fis1 - hing precies voor het zuidelijke galmgat. Ten einde de grootste klokken een plaats juist achter het galmgat te kunnen geven, zou de luidklok opgeschoven moeten worden.
2. Het klavier was aanvankelijk geprojecteerd op een zoldertje in de zadeldakspits. Het lag in de bedoeling om de mechanische verbinding met de klepels via katrollen te laten verlopen. Voor deze weinig bevredigende oplossing was gekozen omdat het oude uurwerkkabinet de plaatsing van een klavier op de tussenzolder in de weg stond.
3. De vrees bestond bij enkelen dat het klankbeeld van de toekomstige beiaard verbrokkeld over zou komen. Twaalf klokjes waren in het galmgat geprojecteerd, de overige in de klokkenkamer aan de zuidzijde.
  Eijsbouts dorst het aan om een offerte te maken voor dit hachelijke project en daarna heerste er diepe stilte rond deze zo voortvarend opgezette onderneming. De fusie tussen Deventer en Bathmen moest eerst een feit worden, de financiering was onzeker, en een buurtbewoner had zich vast voorgenomen om dit mooie voornemen te verhinderen. Pas in 2004 kon het groene licht gegeven worden. Tijdens n van de laatste raadsvergaderingen van de gemeente Bathmen besloot de raad om een deel van een verkregen erfenis te bestemmen als bijdrage voor de plaatsing van een carillon. Samen met bijdragen van de kerkgemeenschap en zorgcentrum Dijkhuis kon het carillon besteld worden, vervolgens stelde de nieuwe gemeente Deventer zich garant voor de bouwkundige voorzieningen. Na rijp beraad werd het volgende besloten:

Een klokkenreeks gebaseerd op de grootste luidklok fis1, aan te sluiten als C op het pedaal. De daarop volgende toets klinkt als fis2, een octaaf hoger! De absolute tonen: fis1 - fis2 - gis2 - ais2 - chrom. - gis4 - ais4 - b, aan te sluiten op het klavier als C - c - d - e - chrom. - d2 - e2 - f2, derhalve een zeer lichte beiaard met een omvang van 2 octaaf, waarbij de laagste twee chromatische tonen (cis1, dis1) en de hoogste (dis3) ontbreken. Totaal 28 klokken.

De reeks te stemmen volgens de middentoonstemming, zoals gebruikelijk in de 17e eeuw: c - cis - d - es - f - fis - g - gis - bes - b.

Profiel en boventoonstructuur naar het voorbeeld van Hemony. De ligging van de kleine tertsen conform de gemeten waarden in de Hemony-beiaard van de Dom te Utrecht: 15 20 cents boven het gebruikelijke nulpunt.


Opstelling van de klokken: De 9 kleinste klokjes in het zuidelijke galmgat en de 11 daarop volgende klokken, in twee rijen, direct achter het galmgat. De overige 7 nieuwe klokken in drie rijen op de vrij gekomen ruimte, ontstaan door het opschuiven van de kleinste luidklok in oostelijke richting. De grootste luidklok, ondertoon C, is niet van plaats veranderd: noordelijke gang van de klokkenstoel.

Tractuur: gerichte tuimelaars op kogellagers, enkele afzetdraden bij de doorvoer van de klepeldraden naar de klokjes in het galmgat. Deze klokjes zijn dubbel afgeveerd omdat de veren achter de klepels vanuit de binnenzijde bijna niet te bereiken zijn. Vanuit een vaste stand van de klepelveren wordt de juiste afstelling van de toetsdruk geregeld door middel van een veer aan de tuimelaar. Op de grote luidklok is een speelhamer aangebracht.

Gezien het zeer gesloten karakter van de toren hebben wij afgezien van de toepassing van een waterkering.

Het klavier volgens de maatvoering van het traditionele "kleine klavier": c1 onder c1, de ondertoets C is uitgevoerd met een verhoging. Om het klavier een prachtig uitgevoerde cabine met voldoende vensters, zowel naar de torenzolder als naar buiten toe. In de constructie zijn elementen uit het uurwerkkabinet verwerkt. Men heeft er voor gekozen om de vloer van de cabine in stevig eikenhout uit te voeren.

Een automatisch speelwerk volgens het elektro-pneumatisch systeem, op alle nieuwe klokken (27). Alle elektrische componenten zijn ondergebracht in een wandkast op de klavierverdieping. Deze kast is voornamelijk samengesteld uit onderdelen van het uurwerkkabinet, waardoor - samen met de cabine - een stijlvol geheel is ontstaan.

Het uurwerk zal schoongemaakt worden. Er bestaan plannen om het lopend op te stellen in de plaatselijke oudheidskamer.

Het resultaat heeft de verwachtingen ruimschoots overtroffen. Het spel klinkt warm en mild, de kilte die soms afstraalt van nieuwe beiaarden is hier volledig afwezig. Zoals te verwachten viel is het volume niet groot, maar goed passend bij de sfeer en de schaal van dit mooie dorpscentrum. Het was een verrassing dat het spel niet alleen aan de zuidzijde goed te beluisteren valt, maar ook aan de west- en noordzijde goed te volgen is. Uiteraard is het volume daar minder en romantischer dan aan de zuidzijde. Ondanks de onorthodoxe opstelling is de speelaard bijzonder aangenaam.

Nederland is een bijzonder toren- instrument rijker geworden. Een bezoek valt alleszins aan te raden. Hulde aan de geestelijke vader van dit project: Jan Achterkamp, de Stichting Bathmense Beiaard onder de bezielende leiding van voorzitter Henk Jansen en niet het minst aan de medewerkers van de Koninklijke Eijsbouts, voor wie de klokken en de inrichting allesbehalve confectiewerk waren. Op 6 september werd de beiaard met groot ceremonieel ingespeeld door Jan Achterkamp, die ook de vaste bespeler wordt.